De bourgogne is een heerlijke streek met een fascinerende cultuur, een rijke keuken en exquise wijnen. Voor wie de minder bekende plekjes in deze franse regio met zijn 'eigen' Linssen motorjacht vanaf het water wil ontdekken, biedt het Canal du Nivernais uitkomst.

“Villiers-sur-Yonne?” De taxichauffeur voor het station van Auxerre fronst zijn wenkbrauwen. “Mon dieu”, schudt hij met zijn hoofd, “waar wilt u precies heen? Naar Villiers-sur-Yonne? Behalve een paar huisjes en een oude kerk is daar helemaal niets!” “Dat is precies waar we heen willen”, antwoorden Petra en ik. De chauffeur schudt nog eens met zijn hoofd, schuift zijn pet naar achteren en brengt ons over smalle landwegen, door rustieke dorpjes en dichte bossen naar de gewenste bestemming.

Een uur later begrijpt hij eindelijk het doel van deze lange autorit. Petra stapt uit de taxi, loopt de middeleeuwse Yonne-brug over en zwaait naar een splinternieuwe Linssen Grand Sturdy die beneden aan de wal ligt. “Oh là là! Een mooie toerboot”, grijnst de taxichauffeur, “daarom bent u helemaal hierheen gekomen.” Ik glimlach, haal onze spullen uit de kofferbak en betaal de chauffeur. “Zo, alles is weer prima verlopen.” Met die woorden heet Klaus ons enkele minuten later welkom aan boord. Terwijl Petra het interieur van het jacht bewondert, geeft Klaus mij een indruk van de route die hij inmiddels heeft afgelegd. “Ik ben aan boord gegaan in het zuiden, bij het stadje Decize aan de Loire. De spannendste hoogtepunten van de toer waren tot dusver de ca. 1.200 meter lange scheepstunnel van La Collancelle, de zestien sluizen van de sluizentrap Sardy-lès-Épiry en gisteren nog het beeldschone middeleeuwse plaatsje Vézelay met zijn fantastische Maria Magdalenakerk. Sinds vanmiddag lig ik hier en wacht ik op jullie.”

Het wordt een lange avond. Klaus heeft een kostelijke plateau de fromages oftewel kaasplank op tafel getoverd. Daarbij serveert hij ham, foie gras, wijndruiven en – hoe kan het ook anders – Pinot Noir en Chablis. Vele verhalen vliegen over tafel. De maan heeft de imposante fruitbomen en platanen rond onze ligplaats in een zilverkleurig licht gedompeld en op een gegeven moment kondigt een verre kerkklok al de nieuwe dag aan. We proosten nog een keertje op de aanstaande tocht en onze stoere Linssen, wensen Klaus ‘bonne nuit’ en begeven ons naar onze comfortabele achterkajuit.

Stipt om 8:00 uur wekken de zonnestralen ons. Ik klim van boord om verse baguette te halen. Het is echter de vraag of er in het dorpje wel een bakker te vinden is. Ik hoef niet lang op een antwoord te wachten, want nauwelijks sta ik op de Yonne-brug of er komt plotseling een bestelbusje over de Rue du Pont aangehobbeld. Het busje stopt. Het zijraampje gaat open en zo krijg ik zicht op een grote berg met ovenwarme stokbroden. “Hoeveel wilt u er hebben?” vraagt de vrouw achter het stuur. Ik koop drie stokbroden, de vrouw bedient de andere toegestroomde klanten en bij het wegrijden begroet zij ons met een charmant au revoir. Bij terugkomst op het schip ruikt het naar vers gezette koffie. We ontbijten in alle rust en vervolgens gooit Klaus de trossen los en varen we richting Clamecy.

De sfeer wordt er alleen maar beter op. Na grazige wijden met witte Charolais-runderen volgen rustieke rivieroevers, felgele koolzaadvelden en dichtbegroeide bossen. Voor de sluis bij Chevroche wachten twee fietsers uit Oldenburg. “Wij zijn Uwe en Margit”, stellen de twee zich voor. Ze zijn sinds een week onderweg vanaf Decize naar Auxerre. Terwijl Uwe de loftrompet steekt over de vele pensionnetjes langs het kanaal, werpt Margit nieuwsgierige blikken op onze Linssen. “Wij hebben ook al enkele bootvakanties achter de rug”, zegt zij. “vooral op cruiseschepen. Maar zo’n schattig scheepje hebben we nog nooit gezien.” Bij deze woorden kijkt Klaus alsof hij net in een citroen heeft gebeten. Maar hij verbijt zich, onthoudt zich van verder commentaar en vraagt de twee vriendelijk of ze niet een stukje mee willen varen. “Jullie passen er gemakkelijk bij, want zo klein is dit schattige scheepje niet, hoor.” “Natuurlijk”, straalt Margit, “dat lijkt ons hartstikke leuk!”

Terwijl de twee fietsers aan boord stappen, komt er een witte Renault aangescheurd. Een jong ventje springt uit de wagen en rent naar de sluis. Hij stroopt vlug hij zijn mouwen op, spuugt in zijn handen en slingert handmatig de sluisdeuren open. Tien minuten later glijdt onze Linssen weer soepel de sluis uit en gaan we verder op weg naar Clamecy. Het allereerste wat we van deze oude vlotterijstad te zien krijgen is de klokkentoren van de Saint-Martin-kerk. Tussen de dikke esdoorns door prijkt de toren in de stralend blauwe hemel. We meren aan in het haventje en bestijgen de weg naar de hoger geleden oude stad.

De eerste voornemens om het Canal du Nivernais aan te leggen, gaan terug tot de zestiende eeuw. Toen waren alle bossen rond het florerende Parijs al gerooid, zodat hout als belangrijkste brandstof van veraf over hobbelige landwegen moest worden aangevoerd. Daarbij moest het Canal du Nivernais uitkomst brengen als vaarroute tussen Parijs en de bossen van de Bourgogne. Het duurde echter 250 jaar voordat het eerste kanaaldeel in gebruik kon worden genomen. En hoe ging het houttransport vervolgens in z’n werk? De bomen werden ergens diep in de bossen gekapt, in stukken gehakt en gewoon in de beken en rivieren gegooid. In Clamecy werden deze stammen uit het water gevist en samengebonden tot vlotten van 75 m lang en 5,50 m breed. Dappere mannen klommen op de gammele gevaartes en manoeuvreerden ze met lange stokken naar de hoofdstad. Clamecy met zijn 5000 zielen was echter veel meer dan alleen een overslagplaats voor hout bestemd voor Parijs. Het stadje met de pittoreske vakwerkhuizen, knusse steegjes en authentieke cafés is ook de geboorteplaats van de beroemde schrijvers Romain Rolland en Claude Tillier. Waar Tillier met zijn humoristische satire ‘Mijn oom Benjamin’ de wereld aan het lachen maakte, zette de Nobelprijswinnaar Rolland zich tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog in voor vrede en toenadering tussen de volkeren.

De tocht over het water wordt hervat. In het plaatsje Pousseaux verbindt een handmatig bediende ophaalbrug de beide oevers van het kanaal. Het is uitgesloten dat we er zomaar onderdoor kunnen varen, want de brug bevindt zich ongeveer ter hoogte van de reling van onze Linssen. Wat moeten we nu doen? Gewoon wachten? Maar op wie dan? In de wijde omtrek is niemand te zien, er is geen brugwachtershuisje en nergens staat een telefoonnummer vermeld. Op een groot bord valt alleen te lezen dat er een fikse straf staat op het eigenhandig bedienen van de brug. “Laten we wachten”, besluit Klaus. En de wil van de kapitein is wet, dus we wachten… 10 minuten, 15 minuten, 20 minuten… Na een half uur komt ons een boot tegemoet, de schipper ervan legt aan, springt op de wal en haalt al slingerend de brug op – we geloven onze eigen ogen niet! We mogen doorvaren, roept hij ons toe. Op dat aanbod gaan we natuurlijk maar al te graag in.

Om klokslag zeven uur ’s avonds beëindigen de sluiswachters langs het kanaal hun dienst en gaan zij weer op weg naar huis. En natuurlijk hebben wij weer de pech om net een paar minuten te laat aan te komen bij de sluis van Châtel-Censoir. “Rien ne va plus”, verzucht Klaus, “we komen er niet meer door.” Dus blijven we deze nacht in de jachthaven voor de sluis. Maar waar kunnen we nog een hapje eten? “Vijf kilometer verderop is er een goede rôtisserie oftewel grillrestaurant”, tipt een havenmedewerker ons. Terwijl we deze optie nog aan het overwegen zijn, heeft hij al een taxi besteld en wenst hij ons een goede maaltijd. Na een vlotte autorit langs steile rotswanden nemen wij plaats in een rustiek restaurantje. De open haard knettert en aan de muur hangen foto’s van bergbeklimmers. De kok begroet ons met een vriendelijk bon soir en vraagt ons wat wij willen eten. “Er is forel, Bressekip en Charolais-rund.” We bestellen allemaal rund. “Een goede keuze”, laten de drie mannen weten die aan de tafel naast ons zitten. Zij zijn rotsbeklimmers, komen uit Parijs en oefenen hier op de steile Rochers du Saussois hun waaghalzige hobby uit.

De Franse schrijver Stendhal voer maar al te graag over de kanalen van de Bourgogne. “Vanaf het water zie je het land veel beter dan vanuit een postkoets”, schreef hij 200 jaar geleden. Dit is vandaag nog steeds het geval – op voorwaarde dat je genoeg tijd hebt. En dat hebben wij zeker! Zonder stress en hectiek slenteren we door de ingeslapen steegjes van het plaatsje Mailly-le-Château, dat vanaf een vooruitstekende rots over de Yonne uitziet. Bij Prégilbert laten we ons de lekkere forellen van viskweker monsieur Pageaud goed smaken. Later doorkruisen we het pittoreske vestingstadje Cravant bij de monding van de rivier de Cure in de Yonne en ten slotte varen we in alle rust verder richting Bailly. Als op een schilderij meandert de Yonne hier langs bossen en wijnbergen. We meren af aan de kade van Bailly en beklimmen te voet een heuvel met de naam Col du Crémant. Deze mooi klinkende naam verwijst in feite naar een holle kalksteenrots van ongeveer 200 meter hoog. De binnenkant van de rots dient als wijnkelder voor de lokale wijnbouwcoöperatie Bailly Lapierre. Op de vier hectare gewelfoppervlak zijn circa vijf miljoen flessen opgeslagen. Bij de ingang van de rots kan men in bescheiden mate proeven van deze immense wijnvoorraad en tegen betaling kan iedereen naar hartelust flessen aanschaffen. Vanzelfsprekend proeven wij ook even van het edele vocht. Daarbij stellen we vast dat de streek tussen Dijon en het stadje Beaune niet alleen uitmuntende rode wijnen te bieden heeft, maar dat in het noordwesten van de Bourgogne ook goddelijke Crémants te vinden zijn.

Het verdere verloop van onze tocht laat zich snel vertellen. De volgende dag om 9.00 uur passeren we de sluis van Bailly. Châteaux en grotere herenhuizen verschijnen hier in het decor, de vroegere jaagpaden worden geasfalteerde fietspaden en over de bruggen raast weer autoverkeer. Vijf sluizen verder varen we Auxerre binnen, een stad met 38.000 inwoners. Na in totaal 170 kilometers door het kanaal en 110 sluizen komt onze Linssen aan bij de eindbestemming. Eigenlijk hadden we ons drijvend luxepension al in Vermenton moeten afgeven. Maar Klaus had goede afspraken kunnen maken met Mike Gardner Roberts, chef van charterbedrijf France Fluviale. Deze geboren Brit en francofiele fan van de kanaalvaart was net zo goed bereid om zijn prachtboot hier in de haven van Auxerre op te pikken. Alle formaliteiten zijn snel geregeld. Samen met Klaus kuieren we nog wat door het schilderachtige labyrint van het oude stadje vol vakwerkhuizen. Ook bezoeken we de Saint-Étienne-kerk, misschien wel de meest beroemde Gotische kathedraal in de Bourgogne. Bij de Tour de l’Horloge, de klokkentoren, nemen we uiteindelijk afscheid van Klaus en stappen we in de taxi. “Villiers-sur-Yonne?” vraagt de chauffeur aan ons. Ik kijk hem met grote ogen aan, frons mijn wenkbrauwen… en herken in hem opeens de chauffeur van de heenweg. Lachend spreek ik hem toe: “Non, non! Eerst naar Chablis want we willen nog wat wijn inkopen, en dan graag naar het station voor de trein naar Parijs.” “D’accord”, lacht de Fransman. Hij schuift zijn pet naar achteren en geeft gas.

Bourgogne

De Bourgogne ligt enigszins ten oosten van het midden van Frankrijk en kent een heuvelachtig landschap met bergen tot 900 meter hoog. De regio is 31.600 km2 groot en bestaat uit de departementen Côte d’Or, Saône-et-Loire, Nièvre en Yonne. Auxerre (ca. 38.000 inwoners) is de hoofdstad van het departement Yonne en is gelegen aan de gelijknamige rivier. Samen met Dijon wordt Auxerre gerekend tot de mooiste steden in de Bourgogne. De stad kent vele middeleeuwse bezienswaardigheden, waarbij vooral de Gotische Saint-Étienne-kathedraal moet worden genoemd. Ook het 16 km verder gelegen Chablis is vanwege de wereldberoemde Chardonnay-wijnen absoluut een bezoek waard. De grootste stad in de Bourgogne is Dijon met 150.000 inwoners.

Canal du Nivernais

Het idee voor de aanleg van een kanaal tussen de Loire en de Seine gaat terug tot koning Henry IV (1553-1610). In 1784 werd de eerste spade in de grond gestoken en 60 jaar later werd het kanaal in gebruik genomen als waterweg voor de vlotterij. Het kanaal is 174 km lang en wordt onderbroken door 110 sluizen. De meest spectaculaire bouwwerken langs de route zijn onder meer de tunnels van La Collancelle (758 m lang), Mouas (268 m) en Breuilles (212 m), de sluizentrap in het dal van Sardy (16 sluizen binnen 3 kilometer met een verval van 48 meter) en het aquaduct van Montreuillon (33 m hoog, 145 m lang).

Meer informatie over een Linssen motorjacht charteren in de Bourgogne?

France Fluviale
1 Quai du Port,
F-89270 VERMENTON
Tel.: +33 (0)3 86815455
Fax: +33 (0)3 86816787
Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

www.francefluviale.com

www.linssenboatingholidays.com

Tekst en foto‘s: Ivo Menzel; gepubliceerd in Linssen Magazine no 38, 2011